december 1, 2022

arubanieuws

WE zijn de toonaangevende aanbieder van kwalitatief Nederlands nieuws in het Engels voor een internationaal publiek.

Braziliaanse eisers beweren milieuschade tegen zoutmijnexploitanten in Nederland

Op 21 september 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam een ​​tussentijds vonnis gewezen dat van belang is voor alle partijen en beoefenaars die betrokken zijn bij multi-jurisdictionele zaken, en in het bijzonder zaken met betrekking tot vermeende milieu- en mensenrechtenschendingen. [1]

Feitelijke achtergrond

De zaak betreft een groep eisers uit gemeenschappen rond een zoutmijn die wordt geëxploiteerd door de wereldwijde multinational Braskem in Maceió, Brazilië. Er wordt beweerd dat de destabilisatie van ondergrondse holtes door mijnbouw heeft geleid tot instortingen van het land. Ongeveer 8.000 gezinnen zijn geëvacueerd uit vier risicowijken waar gebouwen zijn gebarsten, wegen zijn ingestort en grote kraters zijn blootgelegd. [2]

de beklaagden

De eerste verweerder van de vordering is Braskem’s moedermaatschappij, Braskem SA, die in Brazilië is gevestigd. Daarnaast staan ​​drie Nederlandse (NL) dochtermaatschappijen als medeverdachten vermeld.

De drie NL dochterondernemingen waren niet direct betrokken bij de exploitatie van de zoutmijn. De rechtbank omschreef Braskem Netherlands BV als houdstermaatschappij van de werkmaatschappijen van de Braskem-groep buiten Zuid-Amerika. Het onderneemt ook enkele operationele activiteiten, zoals het leveren van grondstoffen aan de Braskem-groep voor de productie van petrochemische producten, of het verkopen van op het Amerikaanse continent geproduceerde producten op Europese en Aziatische markten. De twee overige gedaagde Nederlandse dochtermaatschappijen (Braskem Netherlands Finance BV en Braskem Netherlands Inc. BV) worden gekarakteriseerd als financieringsmaatschappijen die tot doel hebben financiële transacties aan te gaan; het aantrekken van vreemd vermogen van investeerders en het verstrekken van leningen binnen de Braskem-groep.

Toepasselijk materieel recht

De eisers stellen dat het Braziliaanse recht van toepassing is op de claim en dat dit, cruciaal, een concept van de ‘indirecte vervuiler’ biedt, wat betekent dat elke gedaagde in principe hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade veroorzaakt door de zoutmijn. Hoewel het standpunt van gedaagden is dat dit geen basis heeft in het Braziliaanse recht, merkt de Nederlandse rechter slechts op dat de kwestie van de aansprakelijkheid in het hoofdgeding zal worden beslist.

Jurisdictie

Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [3]wordt jurisdictie uitgeoefend over de NL dochterondernemingen omdat deze in Nederland zijn gevestigd.

READ  Herstructureringsmogelijkheden voor internationale bedrijven

Artikel 7, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt op zijn beurt dat:

Indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden gebracht, de Nederlandse rechter bevoegd is voor een van de gedaagden, is hij ook bevoegd voor andere gedaagden die bij dezelfde procedure zijn betrokken, mits de vorderingen tegen de verschillende gedaagden zodanig met elkaar samenhangen dat redenen van opportuniteit een gezamenlijke procedure rechtvaardigen.[4]

Braskem voerde aan dat er geen jurisdictie zou moeten zijn over de Braziliaanse moedermaatschappij omdat er geen nauw feitelijk of juridisch verband bestond tussen de vorderingen tegen de Braziliaanse en NL entiteiten. Braskem stelde zich op het standpunt dat de Nederlandse procedure een uitsluitend Braziliaanse kwestie betrof, waarbij de Braskem NL-entiteiten slechts figuranten waren.

Beslissing

De rechtbank was het niet eens met Braskem en oordeelde dat de vorderingen onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.

De rechtbank was in ieder geval bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen op de Braskem NL entiteiten en zou daarbij de feitelijke en juridische situatie in Brazilië moeten onderzoeken. De eisers hebben namelijk een beroep gedaan op het handelen en/of nalaten van de Braziliaanse entiteit die heeft geleid tot de schadelijke gevolgen waarvoor de entiteiten van Braskem NL hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn. Het feit dat er specifieke beschuldigingen werden geuit tegen elk van de beklaagden afzonderlijk (in de zin dat de rol van elke entiteit verschillend was) doet niets af aan het feit dat de vermeende inbreuk dezelfde was en dat, om de verschillende beschuldigingen te beoordelen, een aantal veelvoorkomende vragen over feiten en rechtsvragen moesten worden beantwoord.

De rechtbank oordeelde dan ook dat er een voldoende samenhangend verband bestond tussen de vorderingen dat een gezamenlijke procedure gerechtvaardigd was.

Bij het nemen van deze beslissing heeft het Hof de krachtige beoordeling gemaakt dat de Braskem-groep, en dus Braskem SA als de belangrijkste houdstermaatschappij van de groep, ervoor had gekozen om de entiteiten die financiële beslissingen nemen (en haar Europese hoofdkantoor) in Rotterdam te vestigen. Na dit te hebben gedaan, kon Braskem redelijkerwijs voorzien dat de Nederlandse rechter niet alleen procedures zou horen tegen haar NL dochterondernemingen, maar ook tegen de topholdings als er vorderingen tegen hen zouden worden ingesteld.

READ  Waterpolo Olympische Updates: Australië versloeg Nederland en eindigde als vijfde

Het Britse perspectief

In de afgelopen jaren is er veel vooruitgang geboekt in de Engelse rechtbanken bij het veiligstellen van jurisdictie over vermeende zakelijke kwaaddoeners door gebruik te maken van de doctrine van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. In dergelijke gevallen worden claims vaak ingediend tegen i) een moedermaatschappij die gevestigd is in het rechtsgebied (over het algemeen waar het ‘hoofdkantoor’ is geregistreerd en gevestigd in Londen) en ii) dochterondernemingen die lokaal zijn voor de veroorzaakte schade, maar buiten de jurisdictie.

In die omstandigheden is de bevoegdheid prima facie beschikbaar zijn via de moedermaatschappij omdat ze in het rechtsgebied zijn gevestigd. Er is echter toestemming vereist om buiten de jurisdictie van de lokale dochterondernemingen te dienen. Dit is over het algemeen gewaarborgd op grond van paragraaf 3.1(3) van Praktijkrichtlijn 6B van de Civil Procedure Rules. [5]waarin wordt bepaald dat, wanneer een vordering wordt ingesteld tegen een verweerder die zonder toestemming kan worden betekend (dwz de ‘anker verweerder’), toestemming kan worden verleend om bij een andere entiteit buiten het rechtsgebied te betekenen indien:

  1. Er is een “echt probleem” tussen de eiser en de hoofdgedaagde die redelijk is voor de rechtbank om te proberen; en
  2. De extra persoon (buiten het rechtsgebied) is een “noodzakelijke en juiste partij” op de vordering.

Bekende voorbeelden van deze strategie die met succes door eisers wordt toegepast, zijn onder meer: Lungowe v. Vedanta-bronnen [6], Okpabi v. Koninklijke Nederlandse Shell [7] en Municipio de Mariana v. BHP[8].

Een belangrijke uitdaging bij het nastreven van deze strategie is om vast te stellen dat er inderdaad een ‘echte kwestie’ is om te proberen tussen de eiser en de verweerder van het moederbedrijf. De eisers zijn belast met het tot stand brengen van voldoende verband (waaronder leiding, controle of – omgekeerd – het niet afdwingen van groepsbeleid) tussen een multinationale moedermaatschappij en het gedrag van haar dochteronderneming om de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de Britse wet inzake onrechtmatige daad vast te stellen. De taak van de eiser wordt er niet gemakkelijker op door het feit dat hij dit in een preliminaire fase moet doen voordat openbaarmaking heeft plaatsgevonden.

READ  [Event] Basic Compliance & Ethics Academy - 20 - 23 juni, Amsterdam, Nederland | Society of Corporate Compliance and Ethics (SCCE)

de eisers in Braskem hebben echter de omgekeerde strategie gevolgd. Hier zijn de ankergedaagden de NL dochterondernemingen met als buitengerechtelijke gedaagde de moedermaatschappij.

Opmerking

Enerzijds past dit tussenarrest het Nederlandse procesrecht toe op een wijze die aansluit bij de leerstellingen die in eerdere Nederlandse jurisprudentie zijn uiteengezet. Nadat de rechtbank ervan overtuigd was dat het beginsel van de ‘indirecte vervuiler’ aantoonbaar aanleiding gaf tot aansprakelijkheid van de dochterondernemingen, was het voorspelbaar dat jurisdictie zou worden aangenomen over de onderling samenhangende vorderingen tegen de Braziliaanse moedermaatschappij.

De trend is echter vaak geweest om dit soort zaken in de jurisdictie van het moederbedrijf voort te zetten (zoals in de hierboven gegeven voorbeelden in het VK). Dit kan belangrijke voordelen met zich meebrengen, zoals meer publieke controle, een gedaagde tegen wie het vonnis gemakkelijk kan worden afgedwongen en het vermijden van moeilijkheden met betrekking tot de toegang tot de rechter in lokale rechtsgebieden waar corruptie of intimidatie een reëel probleem kan zijn.

De Braskem geval blijkt echter dat het een vergissing zou zijn om alleen te focussen op kwesties waarbij de moedermaatschappij is gevestigd in het gekozen rechtsgebied. Hierbij heeft zorgvuldige afweging van het toepasselijke Braziliaanse recht in combinatie met het Nederlandse reglement van orde ertoe geleid dat in het gekozen forum rechtsmacht is gevestigd, ondanks het feit dat de ankergedaagden dochterondernemingen waren zonder operationele betrokkenheid bij de zoutmijn. Het heeft ook eens te meer aangetoond dat de Nederlandse jurisdictie bijzonder aantrekkelijk is voor eisers die hun milieu- en mensenrechten willen verdedigen. [9]

In het VK zijn op 1 oktober 2022 herziene jurisdictiegateways in werking getreden en procespartijen zullen met name de nieuwe regels willen onderzoeken op mogelijke mogelijkheden om jurisdictie in een gunstig forum tot stand te brengen.